benzinemotor

Aan het tijdperk van de paarden als vervoersmiddel lijkt in 1910 een einde te komen. In sommige steden ging men over op autospuiten. Net als bij de overgang van de slangenbrandspuit naar de stoomspuit bleek ook op dit gebied het geld een grote rol te spelen. Vandaar dat het (goedkopere) gebruik van de paarden in veel steden nog niet voorbij is. Zo werden vaak wagens gekocht, die door paarden moesten worden getrokken, maar waarop een pomp was geplaatst, die aangedreven werd door een losse benzinemotor. Zo'n apparaat heette een motorspuit. Het is al wel zeer duidelijk dat de automobiel de toekomst heeft. Het principe van de autospuit is hetzelfde als die van de stoom- en motorspuit die door paarden getrokken werden, zij het dat het paard vervangen is door de automobiel. De stoomspuit heeft het uitgehouden tot 1948.


 

Sommige steden hebben echter nooit een motorspuit gehad. De brandweer ging steeds meer het waterleidingnet gebruiken voor het aftappen van water. In 1874 was men al begonnen met de aanleg van het waterleidingnet en het werd steeds omvangrijker. Bijna overal werden brandkranen in de straten aangebracht op 50 tot 100 meter van elkaar.

De auto- en motorspuiten konden nu hun water betrekken uit zowel de grachten en sloten als de brandkranen op het waterleidingnet. Door met de krachtige pompen het water extra druk te geven, kon ook gemakkelijker over langere en vooral hogere afstanden worden geblust. De gebouwen werden namelijk ook steeds hoger. Tot op de dag van vandaag is de autospuit - in een veel modernere vorm dan de eerste exemplaren - het belangrijkste stuk gereedschap van de brandweer.