Ook op het gebied van het materiaal is er in de loop van de tijd een hoop veranderd. Tot 1850 gebeurde er niet veel. De slangenbrandspuit werd wel verbeterd, maar de echte grote verandering kwam pas in 1866: de invoering van de stoomspuit.
In 1769 werd door James Watt de stoommachine uitgevonden. Dit luidde een nieuw tijdperk in: de "industriële revolutie". Ook de brandweerwereld sprong hierop in. In 1831 werd in Londen de eerste stoomspuit geproduceerd. Pas in 1866 namen Rotterdam en Amsterdam de stoomspuit ingebruik.
Maar wat was nu het grote voordeel van deze stoomspuit ? Het belangrijke voordeel was dat de capaciteit veel groter was dan die van de handbrandspuit. Die handbrandspuit had 10 pompers, die samen gemiddeld 150 liter water per minuut verspoten met een druk van 2 tot 3 bar (eenheid van luchtdruk). Met de stoombrandspuit kon men 1500 liter water per minuut spuiten met een druk van bar. Met andere woorden: de stoombrandspuit kwam veel verder en hoger dan zijn voorganger. Bovendien waren er voor de bediening maar 4 man nodig, die niet elk kwartier afgelost hoefden te worden.
In veel steden bleef de aanschaf van een stoombrandspuit nog lange tijd uit. Dit was puur een financiële kwestie; de overheid gaf in deze tijd amper geld aan het brandweerwezen uit. Vandaar dat de handpomp nog een lange tijd in dienst bleef. Daarnaast kampte de stoomspuit met wat "kinderziektes". Voordat het daadwerkelijke spuiten kon beginnen, moest er uiteraard eerst stoom gemaakt worden. Om de stoom te maken moest men eerst een vuurtje maken om de stookketel te verhitten. Dat leverde tijdverlies op. Al snel kreeg men door dat het slim was om alvast wat hout in de stookketel klaar te leggen. Het hout werd op den duur vervangen door petroleum. Bij de beroepsbrandweerkorpsen hield men de stoomketels dag en nacht op een "laag pitje", zodat de opwarmingstijd kort kon blijven.
Waar de oude handspuit werd vervoerd op een handwagen, was dat bij de stoomspuit niet te doen. De stoomspuit werd voortgetrokken door paarden. Uiteindelijk is ook het paard vervangen: de automobielspuit werd uitgevonden. Maar dat was pas veel later.
Het paard maakte dus zijn opmars bij de brandweer. Steeds meer materiaal wordt rollend gemaakt (van wielen voorzien) waardoor er steeds meer paarden nodig waren. Het takenpakket van de brandweerman breidde zich steeds meer uit. Behalve het onderhoud van de stoombrandspuit en ander materiaal, moesten de paarden nu ook verzorgd worden. Het groeide de vrijwilligers en geaffecteerden allemaal een beetje boven de pet.
Steeds meer grote gemeentes besloten hierdoor om vaste mensen aan te stellen voor dit werk. Met andere woorden: de beroepsbrandweer werd geboren. Eén van de eerste beroepsfuncties was die van brandwacht-koetsier. De koetsier was niet alleen belast met de verzorging van de paarden en het besturen van het voertuig, maar in geval van brand moest hij ook gewoon bluswerkzaamheden doen. Eenmaal bij een brand aangekomen, werd er iemand uit het publiek aangewezen om de paarden vast te houden. De mensen uit het publiek wilden dat graag doen: het leverde een beloning van drie kwartjes op en het beste plekje om naar de brand te kijken.