 |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 | organisatie |
|
|
|
|
Vroeger liet ook de organisatie van de brandweer enorm te wensen over. Zoals eerder vermeld was er voor de ordonnantie van 1521 weinig of geen regelgeving op het gebied van brandbestrijding of preventie (voorkoming). Van iedereen die zich in de buurt van een brand bevond, werd verwacht mee te werken en de mouwen op te stropen, maar meer dan dat gebeurde niet. Wel was het zo, dat bepaalde gilden (dat waren een soort vakbonden voor mensen met een zelfde beroep), meestal gilden die zwaar handwerk verrichtten, de taak van het brandblussen toegeschoven kregen. Echt blij waren die mensen er niet mee. Ze zagen de taak niet meer als een eer, maar meer als een last.
Het was weer Jan van der Heiden, die de noodklok luidde: hij vond dat het brandweerwezen beter georganiseerd moest worden. In een brief aan het Amsterdamse stadsbestuur (1678) beklaagde hij zich over de slappe houding van de gilden. Als voorbeeld haalde hij een recent geval aan van "gildenbroeders" die op hun gemak een borrel aan het drinken waren in een kroeg, waarvan de bovenste verdieping in brand stond. Door de gebrekkige organisatie was er grote onduidelijkheid over wie nu de pompen moest halen en op deze manier wachtten de heren op de spuit.
Het stadsbestuur van Amsterdam nam de klachten van Jan van der Heiden erg serieus en gaf hem, en zijn broer Nicholaes, de opdracht het brandweerwezen in Amsterdam flink te reorganiseren. Als gevolg van deze reorganisatie werd in 1685 de brandkeur (verordening) behoorlijk veranderd. Op het gebied van de brandweer werd Amsterdam op dat moment zeer toonaangevend. De Amsterdamse brandweerkeur staat dan ook model voor alle andere steden van de Verenigde Nederlanden en haar koloniale vestigingen.
Jan van der Heiden stelde twee begrippen centraal: discipline en organisatie. Door de aankoop van de nieuwe spuiten werd de drang naar een goede organisatie alleen maar groter. Er was behoefte aan vast personeel om de spuit te bedienen en niet meer afhankelijk te zijn van de "goede burger" die een handje meehielp. Het opperbevel kwam in handen van twee generale brandmeesters en elke brandspuit kreeg twee brandmeesters als "chef". De brandmeesters droegen aan hun meerderen diegenen voor, die met de bediening belast zouden worden. Je zou het niet denken, maar voor het bedienen van zo'n spuit waren veel mensen nodig: gemiddeld 36 per spuit, die elkaar om het kwartier aflossen. Het voordragen van het "spuitpersoneel" was eigenlijk meer mensen een verplichting opleggen; er kwam een zwaar boetestelsel voor "weigeraars" en de beloning voor het gevaarlijke werk was minimaal. Daarnaast zagen de rijke stedelingen kans om zich los te kopen. Het kwam er dus op neer dat de arme, zeg maar arbeidersklasse, de lasten van het brandblussen bijna geheel op zich nam, maar ook een kans kreeg op een bijverdienste. Deze lagere manschappen werden "geaffecteerden" genoemd en hoefden dus niet bij de schutterij te dienen (ze hoefden niet constant op de kazerne aanwezig te zijn). In principe waren ze dus oproepkrachten.
Iedere "geaffecteerde" kreeg een koperen penning, met daarop een nummer. Bij oproep moest deze penning afgegeven worden. Op deze manier viel te controleren wie afwezig of te laat was. Was dat het geval, dan volgde er een boete. Er werd ook het één en ander gedaan om de manschappen te motiveren. Zo had de brandmeester bijvoorbeeld een penning met een gat er in. De mensen die hun penning hadden afgegeven voordat de penning met het gat aanwezig was, kregen meer uitbetaald. Je snapt dat iedereen daardoor zo snel mogelijk aanwezig wilde zijn. Ook werden er premies uitgeloofd voor die spuiten die het eerst begonnen met spuiten. Natuurlijk een goed idee, maar in de praktijk ging het wel eens mis; bepaalde groepen schrokken er niet voor terug om de spuit van andere groepen te saboteren om zo de premie in de wacht te slepen. De premies moesten worden opgebracht door degene, wiens huis door brand getroffen werd. Daarbij werd er van uitgegaan, dat een brand nooit per ongeluk kon ontstaan, maar dat er altijd wel iemand een foutje of overtreding had begaan.
De stedelijke overheden bleven op zoek naar andere vormen van organisatie. In Leiden kwam men op het idee om een weeeshuis te voorzien van een brandspuit. In 1769 werd daar het besluit toe genomen. Dit hield in dat het weeshuis 5 brandmeesters kreeg toegewezen, die op hun beurt de bemanning konden kiezen uit de weeskinderen. Brandmeesters van een aantal andere plaatsen waar ook spuiten waren, konden ook een beroep doen op de weeskinderen. Het lijkt allemaal een beetje op kinderarbeid, maar toendertijd was het vrij normaal. De jongens zelf vonden het ook niet erg, sterker nog, ze zagen het als een grote eer. Op den duur leverde deze slimme oplossing steeds meer problemen op. De weeshuizen raakten steeds leger en vooral de "potige knapen" raakten steeds meer in de ondertal. Veel jongens kwamen om bij de bluswerkzaamheden. Daarbij kwam dat de j ongens, als er geblust moest worden, er meestal half of dun gekleed bij liepen. Dit veroorzaakte veel ziekte. Het leidde er uiteindelijk toe dat er vanaf 1921 geen gebruik meer gemaakt werd van het Weeshuis.
Net als in het weeshuis werden er bij allerlei instellingen brandspuiten geplaatst. Zo ook in de Oranjekazerne in Den Haag. Er ontstonden dus allerlei aparte eenheden die zich met het brandblussen gingen bezighouden. Omdat ook hier het premiesysteem werd ingevoerd (de spuitgasten die het eerste bij een brand aanwezig waren, kregen een premie) ontstonden er vreemde situaties. De verschillende groeperingen reden elkaar constant in de wielen en schroomden niet om elkaars slangen door te snijden om zo de premie binnen te slepen.
Om deze wantoestanden uit te bannen, besloot men al in de vorige eeuw om de zogenaamde geaffecteerden te vervangen door vrijwilligers. In tegenstelling tot de geaffecteerden kwamen deze vrijwilligers vooral uit de wat rijkere burgerij zoals middenstanders. Deze (rijkere) klasse had er natuurlijk flink baat bij dat de brandschade beperkt bleef: zij hadden iets te verliezen. Ook familieleden van commandanten raakten enthousiast voor de bluswerkzaamheden. De verhalen die zij van ooms of vaders hoorden, zorgden ervoor dat de familieleden stonden te springen om een vrijwilligerscompagnie op te zetten. Waar de geaffecteerden het blussen als een verplichting zagen en het eigenlijk alleen voor drinkgeld deden, streden de "nieuwe vrijwilligers" vooral voor de eer.
Voorloper op dit gebied was Haarlem. De stad schakelde zijn brandweerorganisatie om in een geheel vrijwillige brandweer die het bluswerk geheel "pro deo" (d.w.z. zonder kosten voor het "slachtoffer") verrichten. Het was zelfs zo, dat het materiaal voor een groot gedeelte uit eigen zak betaald werd. Na 1851 volgden meer gemeentes met het overgaan tot vrijwillige korpsen.
Toch bleek dat de vrijwilligers, hoe goed de bedoelingen ook waren, dit niet meer aan konden. Daarom besloot de Amsterdamse overheid in 1874 een kleine groep betaalde beroepsmensen aan te stellen. De eerste beroepsbrandweer was een feit. Geaffecteerden en vrijwilligers werden naar huis gestuurd. De organisatie van beroepsbrandweer werd op een militaire manier aangepakt, met een strakke discipline. Commandant werd Steenkamp, een oud legerofficier. Hij rekruteerde vooral matrozen van de koopvaardij en oud-marine mensen. Voordeel van die keuze was dat deze mannen goed konden klimmen, niet bang voor water waren en gewend waren aan het lang van huis blijven. Dat was geen overbodige luxe als je naar de diensttijden kijkt die ze hadden: 5 maal 24 uur achteréén dienst. Ook geschoolde handwerkslieden, zoals schoenmakers en koetsiers kwamen in aanmerking om brandwacht te worden. De begintijd van de beroepsbrandweer was geen gemakkelijke tijd. De geaffecteerden en vrijwilligers die nu plotseling aan de kant gezet waren, kosterden zo nu en dan de nodige wraakgevoelens. Het gevolg van die gevoelens was, dat er vaak valse brandmeldingen binnen kwamen en af en toe bij het uitrukken wel eens wat naar de hoofden van de beroepsmensen werd geslingerd (een steen of een paardevijg). Toch werd het langzamerhand wel duidelijk dat het optreden van de beroepsbrandweer zeer vakkundig was en de onderlinge strijd om de premies tot het verleden behoorde.
In navolging van Amsterdam gingen steeds meer grote steden over tot het aanstellen van een beroepsbrandweer. Den Haag volgde in 1889 en Groningen in 1910. Desondanks bestaat de brandweer tot op heden hoofdzakelijk uit vrijwilligers.
De brandweer groeide, net als de steden en het aantal inwoners, maar er is sprake van ongelijkheid binnen de organisatie. Er waren politieagenten als brandweerfunctionarissen, vrijwillige brandweerlieden, gemeentewerklieden als spuitgasten, plichtbrandweer, brandweer onder een verzekeringsmaatschappij en particuliere (bedrijfs)brandweren. Vrij onoverzichtelijk allemaal, waardoor de brandweercommandanten de behoefte kregen het brandweerwezen wat duidelijker en overzichtelijker te maken.
De commandant van Den Haag, C.F.H. Tuckermann en de commandant van Leiden, J.C. Stam waren de eersten die een stap in die richting deden. Zij richtten de "Nederlandsche Brandweer Vereeniging" op. Op 17 april 1917 vond de oprichtingsvergadering plaats en al snel werd er koninklijke goedkeuring aan de vereniging gegeven. De vereniging werd een overlegorgaan van brandweertechnici. Op dit moment bestaat deze vereniging nog steeds onder de naam "K.N.B.V."(Koninklijke Nederlandse Brandweer Vereniging), maar de leden zijn nu in plaats van brandweertechnici de regionale brandweren.
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |