Het blussen van een brand was een frustrerende bezigheid. Het enige wat er in die tijd aan materiaal voor handen was, waren de emmertjes. Het waren gewone, houten (en eenmaal nat, loodzware) emmers. Het was al een aanzienlijke verbetering toen de houten emmertjes vervangen werden door leren emmertjes. Het waterverlies en het gewicht van de emmers namen behoorlijk af. Maar nog steeds schoot het blussen met de emmertjes niet op.
Op 11 juni 1614 kwam er een grote doorbraak. Het eerste octrooi (een soort bewijs voor een uitvinder dat hij alleen de bedenker is) op een brandspuit werd door de Staten Generaal verleend. Het octrooi werd aangevraagd door Pauwels Auleander. Auleander noemde zijn uitvinding een wonderspuit en had meerdere toepassingen voor de spuit verzonnen. Naast het blussen van een brand zou de spuit ook een vijandig schip kunnen uitschakelen. Het water dat van de zeilen afdroop kon de ontstekingslonten van de musketten en kanonnen nat maken. Het was wellicht een prima idee, maar een succes werd het niet. De grote steden Amsterdam en Leiden hadden weinig zin om veel geld daarvoor uit te trekken.
Na deze eerste octrooiaanvraag op de brandspuit volgden er uiteraard meer. Zo hier en daar verschilden de brandspuiten wat van elkaar, maar het basisprincipe bleef gelijk. De meeste brandspuiten uit die tijd bestonden uit een grote bak van hout of metaal, rond of rechthoekig van vorm. In de bak waren twee zuigpompcilinders geplaatst die met de hand bediend moesten worden. Die cilinders zorgden ervoor dat het water in een buis werd geperst waaraan een straalpijp (een soort waterkanonnetje) was vastgemaakt. Met die straalpijp werd op het vuur gericht. De grote bak moest met emmertjes volgegooid worden met water. Op zich waren deze brandspuiten een behoorlijke verbetering ten opzichte van de "emmertjes-methode", maar een echt effectieve manier van brand blussen kwam pas in de tijd van Jan van der Heiden.